De geschiedenis van de wording van de Bevelandse dorpen begint met één groot schorrengebied, doorsneden door geulen. De zee trekt echter hoe langer hoe meer terug zodat stukken land voorzichtig worden gekoloniseerd vanuit het omliggende gebied. De rijpe schorren lenen zich uitstekend voor het weiden van schapen. De kolonisten zijn dan ook voornamelijk schaapherders.
Heel snel krijgen
abdijen uit Vlaanderen en elders vandaan grote stukken schorreweide in
bezit. De schapenteelt heeft namelijk een grote economische waarde. De
wol wordt per schip afgevoerd naar Vlaanderen, waar er laken van wordt
gemaakt. De schaapherders kunnen natuurlijk niet zomaar kriskras
door elkaar trekken. De flinkste schaapherder
gaat het werk verdelen; hij met zijn familie worden de aanzienlijkste
figuren in een groep van huizen en stallen. Een dorp is geboren. Zo
komen de heren van Schenge bovendrijven, verder naar het oosten de Van
Maalstedes, meer naar het zuiden de van Borseles (sele is schapenstal)
en in het noorden de heren van Kats.
De nauwe banden tussen de Bevelanden en de Vlaamse abdijen, met name die van de St.
Baafs abdij in Gent, zorgen ervoor dat de naam Beveland voortleeft. De
oorspronkelijke naam luidde Bavoland.

